Geschiedenis

Op 15 april 1972 werd het Gilde van Vrijwillige Molenaars officieel opgericht na vijf jaar als groep van vrijwilligers en instructeurs te hebben gefunctioneerd.

In de jaren zestig begon men te beseffen dat het aantal beroepsmolenaars steeds kleiner zou worden en hun gemiddelde leeftijd steeds hoger. Het molenaarsvak werd met uitsterven bedreigd. De molens, die in voorgaande jaren al in aantal enorm waren afgenomen, zouden geheel of vrijwel geheel tot stilstand komen.

Op 14 oktober 1967 kwamen de initiatiefnemers voor het eerst bijeen. Dit groepje jonge molen- enthousiasten, onder leiding van Dick Prins, wist de steun te verkrijgen van de vereniging 'De Hollandsche Molen'.
Het opleiden van de amateur-molenaars, die zich ter onderscheiding van de beroepsmolenaars vrijwillige molenaars noemden, was één der taken die het Gilde op zich nam. Op 9 november 1968 gaf ing. J. den Besten, poldermolenexpert, de eerste officiële les op de Loenderveense watermolen. Op 21 februari 1970 werden de eerste examens afgenomen door ‘De Hollandsche Molen’, op de verfmolen ‘De Kat' in Zaandam. Op 7 maart 1970 werden de eerste vijf diploma's uitgereikt.

Sinds die tijd is het Gilde uitgegroeid tot een vereniging met ruim 2500 leden, waarvan ongeveer tweederde gediplomeerd en eenderde in opleiding is.
Met de groei van het aantal leden nam ook de hoeveelheid bestuurswerk toe. In de jaren tachtig werd duidelijk dat het onderhouden van contacten met de leden en de instructeurs niet meer alleen vanuit een centraal punt kon gebeuren. Geleidelijk aan werden er per provincie contactcommissies in het leven geroepen die tegenwoordig afdelingen worden genoemd.

Het aantal instructie-mogelijkheden nam toe. Door het Gilde werd theoretisch lesmateriaal vervaardigd, waaraan vooral in het begin nog een groot tekort bestond. Er kwamen verbeterde lesstof, exameneisen, biotoopwachters, verzekeringen en bliksemafleidercontroleurs.
Maar het belangrijkste was, dat molens in Nederland weer tot draaien kwamen en levende monumenten werden. Velen hebben als vrijwillig molenaar een prachtig stuk ontspanning gekregen naast hun dagelijkse werkzaamheden en anderen hebben er juist daarom hun beroep van gemaakt! Vrijwillige molenaars beperkten zich niet alleen tot het praktische molenbehoud, maar raakten ook steeds meer betrokken bij de beleidsmatige kanten ervan. Een toenemend aantal van hen treffen wij aan in landelijke, regionale en lokale molenverenigingen en bij overheidsinstellingen, zoals de Rijksdienst Cultureel Erfgoed.

Kunnen wij nu na 50 jaar concluderen dat ons doel bereikt is en dat wij het wat rustiger aan kunnen doen? Zeker niet! De opleiding tot vrijwillig molenaar en het handhaven van de kwaliteit van deze opleiding blijven de voortdurende aandacht van het Gilde vragen.
Het verloop onder geslaagde vrijwillige molenaars door overlijden of door keuze van een andere vorm van vrijetijdsbesteding blijft aanvulling van deze groep noodzakelijk maken. Nog steeds draaien er molens niet of veel te weinig. Er blijft dus werk aan de winkel!

Molens moeten draaien; dat is hun kracht en daarvoor zijn ze gebouwd!